Als voldoende mensen afweer hebben tegen het coronavirus, kan het zich niet gemakkelijk verder verspreiden. Deze groepsimmuniteit bereik je door blootstelling van de bevolking aan het echte virus of door vaccinatie. Het punt waarop dit bereikt is, is te schatten met een vuistregel. Daarmee stelden wetenschappers aan het begin van de pandemie dat 60 tot 70 procent van de mensen immuun moet zijn om de verspreiding van dit coronavirus te stoppen. Een aantal epidemiologen komt op basis van modellen uit op een lager aandeel. De Zweedse wiskundige Tom Britton komt uit op 43 procent, theoretisch epidemioloog Gabriela Gomes uit Oxford in een nog niet officieel gepubliceerde studie zelfs op 10 of 20 procent.

Tussen de één en twee miljoen Nederlanders hebben de infectie nu gehad, schatten wetenschappers, onder wie arts-microbioloog Marc Bonten. Dat zou betekenen dat 6 tot 12 procent van de zeventien miljoen Nederlanders een vorm van afweer heeft.

In gebieden waar Covid-19 hevig heeft gewoed – zoals Lombardije en New York – en ook in plaatsen waar veel lokale verspreiding was door bijvoorbeeld carnaval – zoals in het Limburgse Kessel – zou al een veel groter deel van de bevolking antistoffen kunnen hebben. Zou het geschatte Nederlandse percentage al bescherming kunnen bieden en de verspreiding afremmen? Of die hogere lokale immuniteit in zwaar getroffen gebieden?

„Die 10 tot 20 procent van Gomes, en die 43 procent van Britton, moet je met een flinke korrel zout nemen”, zegt theoretisch epidemioloog Hans Heesterbeek van de Universiteit Utrecht. „De schatting van de kudde-immuniteit op basis van die vuistregel gaat ervan uit dat alle mensen even vatbaar en besmettelijk zijn, en dat iedereen met iedereen contact kan hebben. Dat is natuurlijk nooit zo. De één heeft veel contacten, de ander bijna geen. Sommige mensen zijn vatbaarder dan andere, zo zijn er meer verschillen. Het is dus geen verrassing dat het percentage waarschijnlijk in werkelijkheid lager ligt.”

n het echt is de verdeling van besmette mensen ook ongelijkmatig. Op sommige plaatsen zijn veel mensen besmet, op andere weinig.

„Deze onderzoekers nemen elk weer andere aspecten van die variatie mee in hun modellen”, zegt Heesterbeek. „Maar zaken als vatbaarheid of blootstelling zijn niet te meten, alleen maar te schatten. Pas later in de epidemie zie je hoe realistisch het model is.”

Je moet je bovendien niet blindstaren op dat percentage, zegt hij. „Zelfs als je die 43 of 70 procent haalt, is dat geen garantie dat iedereen beschermd is, als de mensen die immuun zijn niet op een nette manier door de samenleving zijn verdeeld. Ook bij mazelen, waar kudde-immuniteit bij een vaccinatiegraad van 95 procent optreedt, is die er nog niet doordat er relatief besloten gemeenschappen zijn die zich niet laten vaccineren. In de zogeheten Bible Belt is geen afweer tegen die ziekte. Als daar een geïnfecteerde binnenkomt, heb je toch weer een uitbraak.”

„Bovendien, voordat we overal ter wereld boven die 20 of 40 procent zitten, hebben we nog heel wat golven te gaan. Maar dat je daar eerder bent dan bij de 60-70 procent is duidelijk”, aldus Heesterbeek. We kunnen er dus toch iets aan hebben, aan die plekken waar al lokaal kudde-immuniteit is ontstaan, denkt hij. „Alles is meegenomen: elke besmetting die geweest is, maakt de volgende moeilijker.”

Bron: nrc.nl

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in