Een paar zinnen hebben de wetenschap doen wankelen.

Een week geleden, meer dan een jaar nadat de Wereldgezondheidsorganisatie verklaarde dat we voor een pandemie staan, kreeg een pagina op haar website met de titel “Coronavirus Disease (Covid-19): How Is It Transmitted?” een schijnbaar kleine update.

Het antwoord van het agentschap op die vraag was dat “het huidige bewijsmateriaal suggereert dat de belangrijkste manier waarop het virus zich verspreidt, is via respiratoire druppeltjes” – die uit de mond worden uitgestoten en snel op de grond vallen – “tussen mensen die in nauw contact met elkaar staan.”

In het herziene antwoord wordt nog steeds de nadruk gelegd op overdracht in nauw contact, maar nu wordt ook gezegd dat dit kan gebeuren via aërosolen – kleinere ademhalingsdeeltjes die kunnen zweven – en druppeltjes. Er wordt ook een reden toegevoegd waarom het virus ook kan worden overgedragen “in slecht geventileerde en/of drukke binnenomgevingen,” zeggende dat dit komt omdat “aërosolen in de lucht blijven hangen of verder reizen dan 1 meter.”

De verandering heeft niet veel aandacht gekregen. Er was geen nieuwsconferentie, geen grote aankondiging.

Dan, op vrijdag, hebben de Centers for Disease Control and Prevention ook hun richtlijnen over Covid-19 bijgewerkt, duidelijk zeggend dat het inademen van deze kleinere deeltjes een belangrijke manier is waarop het virus wordt overgebracht, zelfs op korte afstand, en het bovenaan hun lijst zetten van hoe de ziekte zich verspreidt.

Er was ook geen nieuwsconferentie van het C.D.C.

Maar deze laatste verschuivingen zetten vraagtekens bij belangrijke aannames over infectiebeheersing die al een eeuw oud zijn, en plaatsen veel van wat vorig jaar fout ging in de juiste context. Ze kunnen ook een teken zijn van een van de belangrijkste ontwikkelingen op het gebied van de volksgezondheid tijdens deze pandemie.

Als het belang van de overdracht van aërosolen al vroeg was erkend, zou ons vanaf het begin zijn verteld dat het buitenshuis veel veiliger was, waar deze kleine deeltjes zich gemakkelijker verspreiden, zolang je maar nauw en langdurig contact met anderen vermijdt. We zouden geprobeerd hebben ervoor te zorgen dat binnenruimten goed geventileerd waren en de lucht zo nodig gefilterd werd. In plaats van algemene regels voor bijeenkomsten zouden we ons hebben gericht op omstandigheden die tot superspreiding kunnen leiden: mensen in slecht geventileerde binnenruimten, vooral als ze na verloop van tijd activiteiten ontplooien die de aërosolproductie verhogen, zoals schreeuwen en zingen. Dan waren we sneller begonnen met het gebruik van maskers en hadden we ook meer aandacht besteed aan de pasvorm. En we zouden minder geobsedeerd zijn geweest door het schoonmaken van oppervlakken.

Onze bestrijdingsmaatregelen zouden veel doeltreffender zijn geweest en ons veel leed en angst hebben bespaard.

Aangezien de pandemie nog lang niet voorbij is en landen als India met verwoestende uitbarstingen worden geconfronteerd, moeten wij begrijpen waarom het zo lang heeft geduurd en wat dit zal betekenen.
*

Aanvankelijk werd SARS-CoV-2 gezien als een ziekte die door ademhalingsdruppeltjes werd verspreid, behalve in zeldzame gevallen van aërosoloverdracht tijdens medische ingrepen zoals intubatie. Aanrechten, dozen en andere mogelijke fomites – besmette oppervlakken – werden als een bedreiging gezien omdat men dacht dat als we ze aanraakten nadat er druppeltjes op waren gevallen, het virus in onze handen kon terechtkomen en vervolgens in onze neuzen, ogen of mond.

Bron: NYtimes.com (vertaald naar Nederlands)