Christiaan Weijts verbaast zich over het uitblijven van breed verzet tegen de corona-aanpak. „Ben ik een wappie als ik beweer dat de democratie hier rammelt?”

Zondag 2 januari, 11.45 uur Buiten adem ploft hij neer op een klapstoeltje tegenover me. De eerste demonstrant die ik tegenkom, heeft moeten rennen om de metro te halen bij station De Pijp. Aan zijn voeten een plak piepschuim, met daarop in rood plakband één mededeling: ‘LEEF’.

Zo. Dat zal ze leren. En toch, in al zijn onbeholpenheid vertolkt die kreet hetzelfde als de Koreaans-Duitse filosoof Byung-Chul Han in het boek dat ik zit door te bladeren. In Palliativgesellschaft (2020), geschreven tijdens de eerste coronagolf, diagnosticeert Han onze samenleving als eentje die lijdt aan ‘algofobie’, angst voor pijn. Onze reactie op het coronavirus heeft „het leven compleet verlamd tot óverleven”.

Maar zonder lijden, tragiek en dood kunnen we ook geen schoonheid of liefde ervaren. „We hebben het leven opgeofferd voor een comfortabele overleving”, stelt Han. Door onze weigering om pijn en dood te accepteren zijn alle levenskrachten volgens hem gericht op het louter verlengen van het biologische leven. Zonder er vragen bij te stellen, leggen we ons lijdzaam neer bij lockdowns, quarantaines, en daarmee zijn we volgens Han een „palliatieve maatschappij” geworden, verdoofd, ontdaan van elke vitaliteit.

Leef. Op de roltrap omhoog bij station Vijzelgracht steekt de man zijn bordje op. Gejoel bij een enkele mededemonstrant – simpel te herkennen aan het niet dragen van een mondkapje. Achter ons licht het kunstwerk op ter ere van Ramses Shaffy. Zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder. De tegenstem van ons palliatieve slaaplied: bedek neus en mond, houd afstand, vermijd drukte, werk thuis, zet maar een dvd’tje op.

12.05 uur Wat kom ik hier doen, in dit gebied met een demonstratieverbod? Dat vraagt een politieagent uit een van de tientallen groepjes die het Museumplein omsingelen. Ik kom met Byung-Chul Han aan mijn zijde inspecteren of Ramses Shaffy nog leeft. Dat zou toch wappie genoeg moeten klinken voor toegang. Ik kom uit nieuwsgierigheid, verklaar ik uiteindelijk maar.

Verbazing was misschien juister geweest. Ik begin me steeds sterker te verbazen over het gebrek aan verzet, zeker tegen de laatste lockdown, die „uit voorzorg” was afgekondigd. Hier staan we, in het culturele hart, ingeklemd door de monumentale musea en het Concertgebouw. En waar zijn onze kunstenaars, intellectuelen, musici, cabaretiers? Pas als cultuur op 14 januari opnieuw sluitpost blijkt bij de versoepelingen, kondigen artiesten en theaterbazen aan in actie te komen.

In België protesteerde de cultuursector op Tweede Kerstdag. Vijfduizend man sterk in Brussel. Op de beelden las ik borden als: ‘Verbindende kracht van koren en ensembles’. Meer dan honderd culturele instellingen weigerden te sluiten. Twee dagen later oordeelde de Belgische Raad van State dat de lockdown „disproportioneel” was en niet op „adequate motieven” steunde.

12.15 uur „In het begin was het een noodsituatie, toen waren we doodsbang, we wisten niks, toen snapte ik het wel, de lockdown.” Ik spreek een groepje van drie jongeren, HBO-studenten. „Maar het is nu twéé jaar later. Dit kán toch niet!”

De Tijdelijke Wet Maatregelen Covid-19 wordt stilzwijgend verlengd, als een abonnement

Volgens Han reageert de samenleving hetzelfde op de pandemie als op terrorisme. „Op vliegvelden ondergaan we, zonder protest, de meest vernederende veiligheidsmaatregelen”, en ook nu ondergaan we al twee jaar lang lijdzaam allerlei maatregelen. Oorzaak: we leven in wat Han in eerder werk al eens typeerde als ‘de positieve samenleving’: optimistisch, instemmend, zonder ruimte voor het negatieve, het radicaal andere, het ondermijnende. De neoliberale obsessie met individueel geluk verstikt zodoende potentiële revolutionaire krachten. Die zijn vervangen door motivators, positiviteitsgoeroes die overal kansen zien en tips geven om de lockdown vol te houden.

Zoals wel meer demonstranten kijken de studenten wat verloren om zich heen. Waar ís het precies? Er is geen podium, geen programma. Dit is een menigte zonder kern. Telkens verspreidt zich gejuich vanaf telkens weer een andere uithoek, waar een deel dan heen marcheert, achter opgestoken vlaggen aan. Omgekeerde driekleur, Trump 2024, QR-code met middelvinger.

12.25 uur Een ouder echtpaar, aan de rand van de Concertgebouwkant, staat naast een kleurrijk brommertje. Krakerige luidspreker in het mandje: ‘Er zitten twee motten / in m’n ouwe jas.’ Een Koningsdagsfeertje, maar met een ondertoon van onbehagen en chagrijn. En ook met een eensgezindheid die iets griezeligs heeft. Bijvoorbeeld: bij een koffiekiosk, dicht opeengepakte menigte, zet ik mijn mondkapje op. Meteen nijdige blikken, opmerkingen. Verrader. NSB’er.

Verderop scandeert men intussen: „Vrijheid, liefde, geen dictatuur.” Ze hebben de ene dictatuur nog niet verlaten of stichten alweer een nieuwe. Mij verbaast die consensus. Zoals het me al maandenlang verbaast dat het zichtbare verzet uit maar één hoek lijkt te komen, uit de groep die al te rabiaat het virus of de crisis ontkent, veelal onderbouwd met groteske theorieën.

De andere bron voor een tegengeluid is die van een handjevol filosofen. Wappies en wijsgeren: alleen aan de uiterste polen van het menselijk denken leeft de aandrift tot verzet en een radicaal andere benadering van de pandemie. Tegenstemmen als van Byung-Chul Han hoor je in ons land bijvoorbeeld bij Marli Huijer, René ten Bos, Ad Verbrugge en Ewald Engelen. Werkelijk door het heersende narratief heen breken, lukt ze niet. De druk van de consensus perst elk tegengeluid meteen naar de marges.

Zo verkondigt Ad Verbrugge zijn ideeën vooral nog op een YouTube-kanaal, De Nieuwe Wereld. In de laatste aflevering van 2021 zei hij hier iets dat sterk overeenkomt met de visie van Han. „Angst en dood verblinden ons, waardoor een heel waardeveld verdampt.” Denk aan geestelijk welzijn, onderwijs, sociale verbinding, religieuze en sociale rituelen, culturele ontplooiing. Allemaal menselijke, niet-economische waarden die we al vóór de coronacrisis uit het oog verloren, zoals ook Han betoogt.

Het werk van Han volg ik al jaren. Ik vind hem een van de helderste en origineelste denkers van dit moment, met een messcherpe analyse van de neoliberale wereldorde. Een ‘linkse’ denker, kortom. Verrassend: bij ons schaart ‘links’ zich doorgaans achter de lockdownstrategie, en komt principiële kritiek vooral van ‘rechts’. Het denken van Han doorbreekt dat schema.

In onze verkrampte respons op de pandemie ziet hij een regelrechte voortzetting van het neoliberalisme. Verbrugges ‘waardeveld’ lag al te verdampen. De coronacrisis liet de zon er alleen wat intenser op branden.

De markt en big tech hebben ons toch al veranderd in consumenten en datapakketten, stelt Han. Privacy gaven we vrijwillig uit handen, en nu leggen we ons neer bij een „regime van digitale surveillance” waarbij „de samenleving van overleving” uiteindelijk zal inzien dat ze „haar liberale principes moet opgeven” voor maximale beheersbaarheid van onwelkome verschijnselen als ziekte, en voor de weigering dood en lijden te aanvaarden.

Klinkt dit overdreven? Han schrijft dit nog vóór de vaccins, en vóór de QR-passen. Inmiddels voeren Frankrijk en Italië 2G in, en dreigt ook Nederland te kiezen voor wat de facto een vaccinatieplicht is. We krijgen een houdbaarheidsdatum aan de QR-pas, die alleen na een nieuwe injectie weer op groen springt. En dat alles wordt afgekondigd op persconferenties, zonder politiek debat vooraf, zonder maatschappelijk debat, in overleggen met niet-gekozen OMT-leden zonder aanwezigheid van pers. De Tijdelijke Wet Maatregelen Covid-19 wordt stilzwijgend verlengd, als een abonnement. Ben ik een wappie als ik beweer dat we die liberale principes allang kwijt zijn en de democratie hier rammelt?

Waarom resoneert zulke kritiek amper? Later deze maand zal het protest eindelijk wat aanzwellen. Maar het zijn vrijwel uitsluitend de directe slachtoffers van de maatregelen die zich manifesteren: eigenaren van cafés, sportscholen, winkels, in de bres voor hun specifieke deelbelang. Ze richten zich niet op de fundamenten van de pandemiebestrijding. Al lang opgelucht eindelijk open te mogen, schikken ze zich naar verregaande QR-restricties. Waar zijn de klanten, gasten, doodgewone burgers die hun vrije leven hebben ingeleverd? Waarom blijft het zichtbare, massale verzet tegen de eenzijdige strategie van sturen op medische cijfers beperkt tot de groep waar je je als weldenkend individu liever niet mee associeert? Zeker niet als er malloten tussen lopen in gestreept uniform van concentratiekampgevangenen.

12.45 uur Een jongen met lang haar houdt een geel bord omhoog: ‘Het klopt niet’. Naast me staat een man tussen de spijlen door te pissen op het wegdek naar de parkeergarage.

ME-busjes komen in beweging. Het Museumplein wordt leeg geveegd. Iedereen moet aan de kant van de Van Baerlestraat eraf. Daar wil de menigte rechtsaf lopen, maar een blokkade van ME-busjes en een waterkanon houdt ze tegen. Chaos. Geschreeuw.

Omdat ik niet per se in de frontlinies hoef te lopen – tussen de zelfverklaarde ‘veteranen’ die een legeruniform uit de verkleedkist trokken – wandel ik met een zijstroom mee, die zich vertakt in de kleinere straatjes van Oud-Zuid. Ik spreek een vrouw die haar kledingwinkeltje heeft moeten sluiten. Schuin boven ons slaat een vrouw, een kop thee in de hand, de stoet bezorgd gade vanachter het glas van haar bel-etage.

Waarom blijft het verzet zo beperkt? Omdat de rest er warmpjes bij zit. De laptopklasse met vaste kantoorbanen merkt vooral comfortabele voordelen van de crisis. Minder reizen, uitslapen, kalmer tempo. Beurskoersen en vastgoedprijzen explodeerden. Ik ken een gezin dat alle lockdowns met scholensluitingen op Ibiza doorbracht. Thuisonderwijs en een digitaal thuiskantoor kun je overal inrichten, nietwaar?

Grote cultuurinstellingen staan er financieel goed voor, sommigen zelfs beter dan vóór de crisis, dankzij de coronasteun, bleek eind deze zomer uit een onderzoek van podiumorganisatie NAPK. Grote verliezer: de zzp’er.

Vergelijkingen met de oorlog mogen niet. Toch heb ik tijdens deze crisis één passage in mijn exemplaar van Louis-Ferdinand Célines Reis naar het einde van de nacht (1932) dik aangestreept. Vlak na de Eerste Wereldoorlog observeert hij: „Alles kon gewoon doorgaan. De oorlog had sommigen weggebrand, anderen goedgedaan, net als vuur, dat ellendig pijn doet of behaaglijk is, ’t hangt ervan af of je erin staat of ervoor. Je moet ’t goed kunnen versieren, meer niet.”

Er is geen dringende noodzaak om met wie dan ook werkelijk solidair te zijn

13.05 uur Terug bij de blokkade op de Van Baerlestraat slaat de sfeer om. Griezelig hoe snel het ineens gaat. Je voelt adrenaline door de menigte golven. Boven de hoofdenzee uit zie ik wapenstokken. De escalatie duurt vrij kort. Dan ineens wijkt de versperring, en stroomt de brede menigte de straat door, in overwinningsroes.

De euforie van de grote mars. Waar die heen gaat dondert niemand. Zolang de energie maar in beweging is gebracht. Ik neem wat omwegen. Op de P.C. Hooftstraat zijn dure winkelpanden dichtgespijkerd. Bij Oger komt een man in een cabrio een pak ophalen in een glimmende hoes.

Aan het eind van zijn traktaat denkt Han na over Nietzsches idee van ‘de laatste mens’, alleen nog gedreven door materieel genot en een obsessie met gezondheid. Han schrijft: „De laatste mens is geen aanhanger van de liberale democratie. Voor hem is comfort een hogere waarde dan vrijheid.”

Er is geen dringende noodzaak om met wie dan ook werkelijk solidair te zijn, noch met de IC-patiënt, noch met de restauranthouder, jongere, podiumkunstenaar, zolang je opgesloten zit in je ‘risicoloze hoge toren, op een risicoloze hoge rots’, zoals Shaffy zingt in dat lied dat opnieuw in mijn hoofd zingt.

„What you risk reveals what you value”, schrijft Jeanette Wintersons in de roman Written on the Body (1992). Onze pandemiebestrijding maakt een keuze voor minimale medische risico’s, en daar offeren we allerlei niet-medische waarden maximaal aan op. Wat onze waarden zijn, en wat we ervoor willen riskeren, daarover zou het gesprek in de samenleving dit nieuwe pandemiejaar moeten gaan.

Het boek van Han, dat dit voorjaar in het Nederlands verschijnt, geeft daar een scherpe aanzet toe. Al te scherp misschien. Want het probleem begint als je zijn gedachtelijn concreet wilt gaan invullen. Betekent dit dat ouderen en kwetsbaren geïsoleerd moeten worden van de rest? Of zelfs dat je ze niet langer behandelt omdat dood en pijn er nu eenmaal bij horen en we niet „monomaan in een beheersparadigma” moeten blijven, zoals Ad Verbrugge stelt?

Het gaat erom dat de samenleving het gesprek erover begint. Wat is de proportionaliteit tussen leven en overleven? Zijn er andere maatregelen mogelijk, nu het virus niet voor iedereen een gelijke bedreiging is? Moeten we wel drie keer per jaar een vaccinatie halen als individu uit de niet-risicogroep voor wie het virus hoogstwaarschijnlijk maar beperkt bedreigend is? Hoe gaan we hier als democratie mee om?

13.50 uur Op de Bilderdijkstraat vind ik de proteststoet weer terug. Een jongen in een motorjack rijdt mee op een robuuste fiets, waaraan hij een laptop heeft bevestigd en snoeihard bonkende speakers. De ketelmuziek van onze tijd is hightech. Zonnebril, koptelefoon: compleet opgesloten in zijn eigen cocon. Zijn fiets hangt vol teksten over ‘verbinding.’

14.15 uur In het Westerpark voelen sommigen zich een beetje bedrogen: ze lopen recht in de kick off-bijeenkomst van Forum voor Democratie voor de gemeenteraadsverkiezingen. Ik vind het wel symbolisch. En link ook. Zoals de immigratieproblemen ooit overgelaten werden aan Wilders, zo dreigen nu de tegenstanders van de covidmaatregelen te stranden aan een verlaten kade waar alleen het narrenschip van Thierry nog langs vaart.

Bron: NRC.nl